Markt van levenslang wonen biedt grote kansen voor sectorHet verouderingsproces en de stijgende zorgbehoeften van ouderen vormen een geleidelijk traject, dat best in verschillende fasen met aangepaste woonvormen kan verlopen vooraleer deze ouderen als laatste stadium in een rust- en verzorgingstehuis belanden.
De bouw en aanpassing van deze woonvormen, die liefst in een actieve leefomgeving met alle zorgvoorzieningen binnen handbereik worden ingeplant, biedt heel wat kansen voor de bouwsector. Daarover zijn de zes gesprekspartners tijdens een lunchdebat over aangepast en levenslang bouwen en wonen het roerend eens. ZES GESPREKSPARTNERS Zes specialisten in levenslang en aanpasbaar bouwen en wonen namen deel aan dit rondetafelgesprek. Elk bracht zijn eigen ervaringen, visies en aanbevelingen mee. Ignace Schram is bestuurder van het bouwbedrijf Building & Engineering uit Deerlijk en bestuurder bij Bouwunie. Zijn onderneming profileert zich vooral als hotelbouwer, maar is sinds een aantal jaren ook gespecialiseerd in appartementsbouw. Building & Engineering was in 2009 genomineerd voor de Kei van Bouwkroniek. Een tijd geleden bouwde en ontwikkelde de firma in eigen beheer in Dadizele een appartementencomplex onder de noemer ‘levenslang wonen', haar eerste ervaring met deze marktniche. Serge De Kerf is al 15 jaar verantwoordelijk voor de sector Senioren bij de groep Sodexo in België. Sodexo is vooral bekend voor twee hoofdactiviteiten: catering (meestal bedrijfscatering) en de uitgifte van o.a. maaltijd- en dienstencheques. "Wij beheren de keukens of facilities voor een 200-tal seniorenprojecten in België, waarvan 120 in Vlaanderen en 70 tot 80 in Brussel en Wallonië. We worden de jongste jaren steeds meer geconfronteerd met aanpasbaar bouwen en de vraag of wij daarin willen participeren en wat onze visie daarop is." Jean-Christophe Vanderhaegen is directeur-generaal van de Confederatie Bouw Brussel-Hoofdstad, directeur van de Confederatie Bouw Brussel Vlaams-Brabant en vice-voorzitter van de European Association of Homes and Services for the Ageing (EAHSA). Hij heeft samen met een paar collega's de aanzet gegeven tot de vorming van een Europese organisatie, die deels zal vallen onder de koepel van de International Association of Homes and Services for the Ageing met hoofdzetel in Washington. Deze associatie tracht informatie en dienstverlening te bieden aan haar leden (dienstverleners, bouwers en alle anderen in die sector) en deels te lobbyen, bv. bij de Europese Unie, voor steun aan bepaalde initiatieven. Peter Deboutte is directeur van de vzw In-HAM (Innovatiecentrum voor Huisvesting met Aangepaste Middelen) uit Gits, die zich toelegt op assistieve technologie, die de zelfredzaamheid bij mensen met beperkingen kan verhogen. In-HAM informeert bouwheren en particulieren over het aanbod op de markt inzake assistieve technologie, demonstreert dit, laat het uitproberen en tracht samen met de industrie, de bouw, de elektronicawereld en de kenniscentra vragen inzake assistieve technologie te beantwoorden. In-HAM is tien jaar geleden ontstaan vanuit de gehandicaptensector, maar heeft ondertussen ook de ouderensector als doelgroep meegenomen. Koen Spitaels is afdelingshoofd Projecten van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW), vroeger de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (VHM). "Voordien was ik actief in de Nationale Maatschappij voor Huisvesting. Onze interesse voor aanpasbaar bouwen dateert reeds van 1980, omdat regelmatig ook gehandicapten bij ons aanklopten voor een woning. Dergelijke projecten uitwerken, is wel erg moeilijk omdat de inzichten zo snel veranderen. Zo bezit ik voor aanpasbaar bouwen een gids van Enter, een soortgelijke organisatie als In-HAM, die evolueert naar meegroeiwoningen." Patrick Syen is gedelegeerd bestuurder van Probis, een bedrijf dat bijna twintig jaar actief is in de markt van de zorgverlening en het ontwikkelen van oplossingen op het niveau van wonen, bouwen en dienstverlening aan ouderen. "We zijn actief in heel België, vooral op het niveau van ouderenzorg en in mindere mate ziekenhuiszorg en gehandicaptenzorg. We helpen openbare besturen, vzw's en ook steeds meer commerciële organisaties bij het ontwikkelen, bouwen, beheren en exploiteren van hun zorginstellingen. De term ‘instelling' verdwijnt echter wel een beetje; we evolueren steeds meer naar woonoplossingen waar de dienstverlening op een subtiele manier ontwikkeld wordt, maar niet zo dominant aanwezig is als vroeger." ■ Hoeveel procent van de bevolking vertegenwoordigen ouderen vandaag en tot hoeveel procent zal hun aandeel in de nabije toekomst nog groeien? Vanderhaegen: De cijfers van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) tonen aan dat het aandeel 65-plussers in de bevolking tussen eind 1990 en 2005 het sterkst is gestegen in het Vlaamse Gewest, van 14,5 naar 17,8%. In het Waalse Gewest verloopt het vergrijzingsproces veel geleidelijker en in het Brusselse Gewest doet zich de jongste jaren zelfs een globale verjonging of ontgrijzing voor. Door externe migratie zou Brussel binnen pakweg 15 jaar 150.000 meer inwoners tellen, met alle gevolgen van dien. In deze globaal verjongende groep zal echter ook een gevoelige vergrijzing plaatsvinden. Belangrijk is ook dat het aantal heel oude mensen op korte tijd zal verdrie- of verviervoudigen. Zo zullen volgens de prognoses van de SVR tegen 2050 vier op de tien 65-plussers in het Vlaamse Gewest 80 jaar of ouder zijn. Het Waalse en het Brusselse Gewest mogen een nagenoeg even sterke veroudering verwachten in die leeftijdsgroep. Tussen 2005 en 2060 zal de bevolking van 80 jaar en ouder met meer dan 800.000 personen toenemen in heel België, van wie meer dan 500.000 in Vlaanderen. Tegen 2050 zullen het Vlaamse, Waalse en Brusselse Gewest respectievelijk 11%, 10% en 7% 80-plussers tellen. ■ Doordat mensen ouder worden en ook langer in goede gezondheid verkeren, verschuift het probleem misschien wel in de tijd en wordt de zorgbehoevende doelgroep misschien niet echt groter. Deboutte: Dat is inderdaad een interessant discussiepunt. Vroeger sprak men van twee lineaire grafieken, uitgaande van de redenering: de groep ouderen wordt groter, dus de zorgbehoefte moet toenemen. Dat bleek echter niet noodzakelijk zo door de vooruitgang van de geneeskunde, waardoor 95-plussers binnen twintig of dertig jaar gezonder zullen zijn dan vandaag. Volgens bepaalde studies groeit die zorgbehoefte dus inderdaad niet zomaar exponentieel mee. ■ Er bestaat vandaag een brede waaier aan woonvormen voor ouderen: rust- en verzorgingstehuizen (rvt's), woon- en zorgcentra (wzc's), dienstenflats, enz. Hoeveel ouderen wonen in rvt's en wzc's en zijn daar nog grote projecten in het vooruitzicht? Syen: De woon- en zorgcentra hebben als harde kern een rustoord, nog altijd in de zorgsituatie. Op dit moment zijn zowat 65.700 erkende bedden ontwikkeld in de rusthuissector en bedraagt de programmatie 84.000 woongelegenheden. Dat betekent dat er nog zowat 18.000 niet ontwikkeld en mogelijk in portefeuille zijn. De vraag is of die ook zo nodig moeten ontwikkeld worden. Persoonlijk meen ik dat we die programmatie moeten durven in vraag stellen. Vanaf 1 januari werd de leeftijdsberekeningssleutel opgetrokken van 60 naar 65 jaar. Iemand van 60 jaar wordt vandaag immers lid van een golfclub en beschouwt zichzelf niet als een bejaarde. Dat zorgt ervoor dat er de volgende jaren geen aangroei zal zijn van de programmatie en zelfs een terugval in bepaalde steden en gemeenten. Ik vind het goed dat de rustoordfunctie als een harde zorgkern wordt voortgezet, geprofessionaliseerd en verbeterd, maar ik pleit niet voor een explosieve ontwikkeling van rvt's en rusthuizen. We moeten eerder zorg en wonen op maat ontwikkelen en diversifiëren waar mogelijk. Hierbij moet iedere woonvorm sowieso aanpasbaar en ergonomisch worden. Vanderhaegen: De programmatie van rvt's en wzc's wordt niet bepaald door de markt zelf en de vraag van deze mensen, maar door het aanbod dat wordt vastgelegd door de overheid. Dat is kunstmatig. Syen: De huidige programmatie is ontwikkeld op basis van empirisch onderzoek. Men heeft de markt een aantal jaren geleden geanalyseerd: wie woont bv. in woon- en zorgcentra, hoe oud zijn deze mensen? Op basis daarvan en van de bevolkingspiramide heeft men die sleutels ontwikkeld, die gehanteerd worden bij de programmatie per gemeente en per regio. De redenering was toen heel simpel: ze voorzag twee serviceflats per honderd zestigplussers bovenop de gecalculeerde rusthuiscapaciteit. Dus op zich was dat wel een vrij betrouwbare methode, maar ze is ontstaan op een moment dat er nog weinig andere oplossingen bestonden. De technologische ontwikkelingen voor thuiswonen waren immers nog niet zo ver gevorderd als vandaag. Deze eenvoudige oefening is nu herzien door de leeftijd op te trekken naar 65 jaar. Het feit dat er nog overal wachtlijsten zijn, bevestigt wel dat de markt nog niet klaar is om de aanwezigheid van die rusthuisbedden in vraag te stellen. Ik denk ook dat de zorgbehoefte zodanig hoog is bij vele residenten, dat er nog altijd een heel goede bestaansreden is voor die projecten. Bovendien stel ik als pleitbezorger van hooggespecialiseerde woon- en zorgomgevingen met genoegen vast dat deze nieuwe projecten veel leefbaarder worden. Ze zijn immers geëvolueerd tot hotelachtige omgevingen waar een hooggespecialiseerde omkadering aanwezig is en waar de bewoners over een heel ruime privatieve omgeving van 30 of 40 m2 beschikken, wat al heel wat is om in te leven als je 90 of 95 jaar oud bent en niet meer zo mobiel. Dit zijn geen kamertjes van 12 of 15 m2 meer, maar volwaardige woonvormen aangevuld met serviceflats, zorgflats, meegroeiwoningen, assistentiewoningen, ... Deboutte: Desondanks blijft de algemene perceptie over rusthuizen nog vrij negatief, zo blijkt uit onderzoek door o.a. de mutualiteiten. Als we onze bezoekers vragen wat zij van een rusthuis vinden, krijgen we ook vaak heel crue antwoorden in de trant van "Daarin zal men mij niet stoppen". In Neder-over-Heembeek bv. is nochtans een paar jaar geleden nog een rusthuis geopend dat oogt als een prachtig aangelegd Spaans vakantiedorp. ■ De opname in een rusthuis kan misschien als laatste levensstap fungeren, voor ouderen die zo zorgbehoevend zijn dat ze niet meer zelfstandig kunnen wonen. Voordien kunnen ze in andere aangepaste woonvormen terecht die vroeger niet bestonden. De Kerf: Die 84.000 rusthuisbedden vertegenwoordigen een minimaal percentage van alle 65-plussers. Deze mensen belanden in een zorgomgeving omdat ze die zorg ook echt hoogdringend nodig hebben. Alle bejaarden in een voorafgaande zorgfase, van kerngezonde 65-plussers tot lichte zorgbehoevenden, moeten op een andere manier opgevangen worden. Daar is volgens mij een grote uitdaging voor de bouw weggelegd. De regering doet overigens vandaag al een heleboel om mensen zo lang mogelijk thuis te houden. Zo is de thuiszorg sinds een paar jaar betaalbaar door het systeem van dienstencheques. Er biedt zich een enorme markt aan voor de bouw, van kleine aanpassingen aan woningen tot vooruitziend denkende bouwprojecten voor jonge mensen. Op je twintigste sta je er waarschijnlijk niet bij stil hoe je best een huis bouwt dat zo woonvriendelijk mogelijk is tegen de tijd dat je in een rolstoel zit, maar een aantal kleine ingrepen kunnen al perfect voorzien worden voor later en kosten niet veel als je ze van bij het begin inpast. Schram: Is het ook geen probleem van te weinig bekendheid, waardoor de stap nog steeds te vlug wordt gezet van de eigen woning naar een rusthuis en niet naar een tussenfase? Amper een week nadat wij bekendmaakten dat we appartementen voor levenslang wonen aanboden in Dadizele, was dat nieuws als een lopend vuurtje verspreid. Syen: Ik ben bang dat men zich te veel gaat concentreren op dat residentiële gebeuren. Spitaels: Het residentiële is inderdaad slechts één aspect. Mensen blijven in elk geval niet jong door thuis te blijven, maar juist door zich in een actieve omgeving te bewegen waarbij ze beschikken over een aantal voorzieningen in de buurt. De plaats en inplanting van bejaardenwoningen is dus essentieel. Socialehuisvestingsmaatschappijen hebben beperktere mogelijkheden omdat de afstemming of het gebrek eraan tussen welzijn en wonen in de regelgeving een heleboel zaken bemoeilijkt. Zo hebben we het aanbod gekregen van een maatschappij om boven een school gesubsidieerd door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA) sociale appartementen te bouwen. Door de subsidievoorwaarden moeten we echter samen bouwheer worden en dat wordt niet aanvaard. De subsidievoorwaarden blokkeren dus dit project, dat een voorbeeldfunctie zou kunnen vervullen. Wij worden tevens door maatschappijen gevraagd om woningen te bouwen bij OCMW-centra, verzorgingscentra, enz. De stap is dus wel gezet om zulke zorgzones te maken, trapsgewijs te werken en bejaarden pas als laatste stap in een rusthuis te laten belanden. Deboutte: Hierbij praten we in feite over het Vlaamse woonzorgdecreet, dat minister Vanackere nog heeft voorbereid. Wij hechten veel belang aan het continuüm van zorg die geleidelijk steeds meer wordt ingepast in ons leven, waarbij je je kinesist of thuisverpleegster kan meenemen tot in het rusthuis. Het woonzorgdecreet is niet perfect, maar de achterliggende filosofie is lovenswaardig. Ook een beperkte inbreng van technologie wordt daarin gesuggereerd. Dit is veel vlotter te verkopen aan jongere senioren dan de tweespalt tussen thuisblijven en onmiddellijk naar het rusthuis vertrekken omdat je bent gevallen en het niet meer gaat. Vanderhaegen: Het feit dat dit een regionale materie is, is volgens mij ook wel een probleem. Zorg is een federale bevoegdheid: alles wat rvt is, behoort tot de federale staat, inclusief de kosten, het Riziv, enz. Dat kostenplaatje is indrukwekkend. Alles wat wonen is, is daarentegen een gewestmaterie. Tijdens een debat in Wallonië stelde ik vast dat alle initiatieven die daar worden genomen om mensen thuis te houden (subsidies, enz.) eigenlijk kosten zijn die de federale staat niet moet dragen. Waarom zou Wallonië ze dan moeten betalen? Zo'n redenering zal je altijd zien. Volgens mij moet er een globaal plan komen, waarbij alle woonzorgen inclusief de beschikbare financiering onder de bevoegdheid vallen van één minister voor heel België of zelfs Europa. Anders ontplooit bv. Vlaanderen vooruitstrevende initiatieven waarbij Wallonië achterloopt en omgekeerd. Ik heb echter ook al in een studie aangehaald, en het wordt bevestigd tijdens alle debatten die ik bijwoon, dat er zo'n versnippering is van bevoegdheden in de zorg- en bejaardensector dat het moeilijk is om globale plannen te maken. Syen: Als ik me niet vergis, hebben 14 ministeries een gedeeltelijke bevoegdheid op het niveau van de intramurale ouderenzorg, van Binnenlandse Zaken over Financiën tot Gezondheidszorg. Dit kluwen vergemakkelijkt uiteraard niet de snelheid van de evolutie. Ik heb wel het gevoel dat de huidige Vlaamse minister van Welzijn Jo Vandeurzen en zijn voorgangers Steven Vanackere en Inge Vervotte een uitstekende masterplanvisie hebben ontwikkeld op ouderenzorg. De vraag is alleen of wij genoeg geld hebben om al die innovatieve ideeën, die we voor een stuk in Scandinavië en Nederland zijn gaan halen, vorm te geven en te blijven betalen. Ik denk dat een aantal elementen van het woonzorgdecreet niet in uitvoeringsbesluiten geraken omwille van de angst die men heeft voor de betaalbaarheid. De private sector wordt dan ook een stukje mee aan boord genomen om bepaalde deeloplossingen te ontwikkelen. De aangepaste woonoplossingen die Building & Engineering heeft ontwikkeld voor senioren vormen al een antwoord op de ontoereikende budgetten van de overheid. Ook de VMSW heeft een heel belangrijke rol te vervullen. Zelf adviseren we zowat 150 OCMW's bij het ontwikkelen van hun woonzorgoplossingen. Heel vaak suggereren we daarbij een samenwerking met een huisvestingsmaatschappij, al wordt dat door het opnamebeleid en andere beperkingen bemoeilijkt. Spitaels: Het is een kwestie van toewijzingsregels. Voor individuele bewoners gelden erg strikte inkomsten- en eigendomsvoorwaarden. Socialehuisvestingsmaatschappijen kunnen in hun woonplannen wel bepaalde doelgroepen naar voor schuiven, maar ze blijven inzake inkomstenvoorwaarden nog steeds zozeer aan strikte regels gebonden dat ze moeite hebben om deze projecten te realiseren. Er wordt echter gezocht naar een oplossing. ■ Hoeveel serviceflats zijn er ongeveer en welke projecten worden nog in het vooruitzicht gesteld? Syen: Op dit ogenblik zijn 13.700 dienstenflats erkend op een theoretische behoefte van 33.000. Dat wil zeggen dat er 14.000 gepland en in vergunning zijn en een aantal in onderzoek en dat er slechts zowat 13.000 van de 33.000 gerealiseerd zijn. De erkende 13.700 wooneenheden worden voor 47% ingevuld door openbare instanties (vooral OCMW's en in mindere mate intercommunales), 41% door vzw-structuren en zowat 10% door privaat-commerciële initiatieven. 23% van de 14.000 geplande en vergunde dienstenflats zijn toe te schrijven aan de privaat-commerciële markt, liefst 56% aan vzw's en amper 19% aan de openbare sector. De OCMW-sector wordt dus iets minder actief. Dat vzw's erg bedrijvig worden, is deels te verklaren als een tegenreactie tegen de commercialisering van de markt en de vermarkting van de zorg. Ze gaan hun sites diversifiëren en hun rusthuizen aanvullen met één of meer serviceflatprojecten die een soort aanleunfunctie hebben bij de harde zorg. Spitaels: Ik denk dat daar ook een stuk reglementsturing in zit, in die zin dat OCMW's graag mensen van hun gemeente een plaats bieden. Dat was immers door de hele omkadering van Serviceflats Invest niet gegarandeerd, waardoor OCMW's andere oplossingen zoeken. ■ Hoe gaat het eigenlijk met Serviceflats Invest nv? Syen: Het budget van de bevak Serviceflats Invest is opgebruikt en ze beheren hun huidige portefeuille. Dat is een langlopend traject natuurlijk. Voor zover ik weet is dat de essentie van hun huidige werkzaamheden. Deboutte: Ik wil nog even terugkomen op de term ‘aanpasbaar bouwen', die al twintig of dertig jaar bestaat. In 2002 stonden we met een stand op Batibouw om jonge mensen te stimuleren om aanpasbaar te bouwen. Achteraf bekeken was dat echter geen realistisch advies omdat we merkten dat niet zozeer twintigers maar vooral babyboomers met een goed gevulde portemonnee, wier kinderen uitgevlogen zijn, aanpasbaar willen bouwen. In hoofdzaak vijftigers en vijftigplussers wensen een nieuwe woning te bouwen of hun eigen woning te verbouwen zodat ze erin kunnen blijven wonen tot hun 85e of 90e levensjaar. Aanpasbaar bouwen is dus geen begrip voor jonge mensen, zoals het initiële doel was, maar wel voor mensen die voor de tweede keer bouwen. Banken en projectontwikkelaars weten trouwens ook al dat ze deze groep moeten benaderen om vrij luxueuze woonomgevingen aan te bieden, inclusief wellness e.d. Syen: Ik kan niet genoeg hameren op het belang van een uitstekende locatie voor zulke projecten. Onze organisatie werd de voorbije jaren benaderd door tientallen projectontwikkelaars met gronden. Ik heb daar alle begrip voor, want ze beschikken over portefeuilles aan terreinen en ambities om daar iets op te bouwen. Ineens moet dat echter allemaal ouderenzorg worden, want de klassieke markt is wat aan het krimpen en men wil per se op iedere vrijstaande grond twintig tot veertig seniorenflats bouwen. Wij zijn daar niet tegen, maar blijven wel heel kritisch. Daarom vraag ik samen met Koen Spitaels: bouw die projecten op een uitstekende locatie, waar de bewoners perfect geïntegreerd kunnen blijven leven in de omgeving, en niet waar toevallig een aanbod aan grond aanwezig is. Vanderhaegen: Toen ik onlangs aan het brainstormen was met Brusselse investeerders die wilden investeren in huisvesting voor bejaarden in Waals-Brabant, bleek de beste plaats voor hen uiteindelijk Louvain-la-Neuve te zijn. Op deze autovrije locatie vind je immers alle diensten, een universiteit en veel jeugd. Deboutte: We moeten ook af van getto's voor ouderen en streven naar een goede bewonersmix. Steeds meer projectontwikkelaars werken aan woonconcepten waarbij ze ouderen mengen met jonge gezinnen, want het is verkeerd om mensen te isoleren per leeftijd of per handicap. We zijn dus tegen het Amerikaanse concept van gated communities voor senioren. Syen: Wij merken dat de meeste succesvolle projecten die vandaag ontwikkeld worden, bestaan uit een aanbod aan aangepaste flats met alle ergonomische en technologische kwaliteiten op een prima locatie in een centrum op loopafstand van de dingen die senioren nog bezighouden. Heel vaak koppelen we er nog een kleinschalig rustoord aan om de mensen de zekerheid van zorgverlening te bieden. Wij voelen dat dat bij heel veel mensen het ultieme antwoord is op hun bekommernis: ze kunnen autonoom wonen en aan de voorkant uitkijken op en deelnemen aan het leven in het dorp of de stad, terwijl aan hun achterdeur een batterij gespecialiseerde mensen intra muros klaarstaat om op een vingerknip en perfect technologisch ondersteund tegemoet te komen aan hun behoeften en verlangens. De thuiszorg kan uiteraard ook een stuk van die koek voor haar rekening nemen. De aanwezigheid van een kleinschalige harde zorgkern biedt deze bejaarden de absolute garantie dat zij autonoom en ruim kunnen leven op 60 tot 120 m2, met gegarandeerde zorg in hun onmiddellijke nabijheid. Daarom heb ik mijn reserves tegenover de talrijke projecten die momenteel worden ontwikkeld waarbij in de brochures wel zorg- en servicegarantie wordt aangeboden maar waarvan wij niet weten of die ook wel zal gegarandeerd worden. De kandidaat-koper of -huurder moet dan ook afwegen hoe groot zijn garantie is dat hij of zij in zulke projecten oud kan worden met voldoende waarborgen voor kwalitatieve zorg binnen een normaal budget. De overheid van haar kant heeft de belangrijke taak om de bevolking te wapenen met goede informatie en checklists, zodat ze kunnen instappen in degelijke projecten. We hebben immers vooral nood aan goede projecten, niet aan projecten die louter uit bouwpromotionele ambitie ontstaan. De Kerf: Is dit een pleidooi voor labelisering, een keurmerk? Syen: Niet noodzakelijk. What's in a name? In Nederland bv. bestaat al wel een soort toegankelijkheidslabel dat je aan je woning kunt geven. De overheid kan perfect stimuli voorzien om niet alleen in de openbare markt zoals vandaag maar ook in de privémarkt een labeling in te voeren met aandacht voor energie, toegankelijkheid, ... Vanderhaegen: Wij hebben dat label eigenlijk al ontwikkeld samen met het WTCB en Seco. Het is een integraal duurzaamheidslabel. Naargelang wat je opzoekt, krijg je bronze, silver of gold. Als je bv. een energiezuinige woning wil maar er niet te veel geld wil aan uitgeven, is bronze voldoende. Wie daarentegen een volledig aangepaste woning wenst, moet een huis of appartement met een gold (de hoogste kwaliteit) zoeken. Bovendien wordt alles volledig gecheckt en gecertificeerd door een onafhankelijk bureau, terwijl dit in de USA eigenlijk berust op de goodwill van de ontwikkelaar of de architect, die beweren dat ze een gebouw conform de regels aanbieden. De Kerf: Dat label is wel bouwtechnisch georiënteerd en nog niet servicegericht. Syen: Het woord service valt hier inderdaad niet genoeg, meen ik. We spreken wel over bouwen, maar de belangrijkste beweegreden van een bejaarde om te verhuizen is een betere dienstverlening aangepast aan zijn noden, als het kan in een aangepaste woonomgeving. We gaan er eigenlijk van uit dat die woonomgeving in de toekomst aangepast zal zijn, maar dan rest nog de vraag: hoe kan die service op maat van die senior worden ontwikkeld? De Kerf: Het gaat om verschillende invalshoeken. In de USA verkopen 60- tot 65-jarige bewoners van continuing care residences hun hebben en houden en verblijven tot hun overlijden in verschillende opvangformules. Uiteraard kunnen alleen de happy few, maximum 1 of 2% van de doelgroep, daarop een beroep doen. In België werkt die formule evenwel niet en ik denk ook niet dat ze de komende maanden zal ontwikkeld worden. Zelf proberen we onze diensten in twee pakketten op te splitsen: residentiële of on site-oplossingen, waaronder woon- en zorgcentra en rusthuizen, en in house-oplossingen. Ik meen dat we vanuit het diensten- en het bouwverhaal partners kunnen zijn om de overheid ervan te overtuigen de bouw middelen en kansen te geven om goede projecten te realiseren, want hiermee bespaart ze op termijn een pak geld. Zolang mensen in hun eigen huis en woonomgeving kunnen blijven, moet de overheid immers ook geen geld uitgeven voor hun residentiële opvang. Zo halen wij een stukje van de doorn uit haar voet. De overheid moet nog wel aandacht hebben voor de 5 of 6% die in de residentiële zware zorgomgeving terechtkomt, want daarover gaat het meestal toch in woon- en zorgcentra. Deboutte: Ik ben er zelf nog altijd niet uit wat nu het duurst is, residentiële ondersteuning of thuiszorg. De studies spreken elkaar tegen. Vanderhaegen: Dat hangt af van de persoon zelf en zijn of haar handicap. Syen: Wat maatschappelijk het duurst is, is een heel moeilijke vraag. Voor sommige mensen zal thuisdienstverlening goedkoper zijn omdat zij die niet al te intensief gebruiken. Anderen die nog gezond zijn en in een intramurale setting worden geplaatst, zullen daarentegen misschien meer kosten dan iemand die thuis blijft. Deboutte: Soms wordt een beetje sloganesk gezegd dat thuiszorg per definitie goedkoper is, al klopt dat voor bepaalde categorieën van mensen wel. Vanderhaegen: Iedereen wil in elk geval zo lang mogelijk thuisblijven. Syen: Absoluut. Maar die thuis kan ook een nieuwe flat zijn die bejaarden op hun zeventigste kochten in het dorpscentrum, naast de kerk en het cultureel centrum bij wijze van spreken, waar ze zo lang mogelijk autonoom kunnen functioneren met in hun backyard voldoende servicegaranties. Dat is volgens ons allemaal de toekomst, denk ik. Hoewel rusthuizen zich vandaag ontwikkelen tot hotelachtige omgevingen met heel gespecialiseerde en knappe zorgprestaties zullen de bewoners nog altijd moeten vechten tegen het schrikbeeld van oud worden. Uiteraard schrikt niet alleen de woonomgeving van dat rusthuis af, maar ook de vaststelling van functies te verliezen, af te takelen en sociaal geïsoleerd te geraken. Het rusthuis is slechts het materiële beeld dat men daaraan koppelt. Deboutte: Het rusthuis wordt gepercipieerd als eindstation, als het laatste traject. Hier speelt de psychologie een grote rol. Syen: Ik zie heel vaak bejaarden die verhuizen naar een intramurale of transmurale setting zoals serviceflats, een serviceresidentie of een rusthuis daar opnieuw heel gelukkig worden. Vaak werden ze voordien immers verwaarloosd op het vlak van hygiëne, voeding, sociale contacten, enz. Wanneer ze dan omwille van een fysische noodwendigheid in een intramurale setting worden opgevangen, merken we dat ze opnieuw gaan genieten van eten en samenzijn, zich weer gaan opkleden en opnieuw hun waardigheid ontdekken. Deboutte: Bemerk de paradox: men stimuleert thuiszorg ondersteund door allerlei technologieën (zorgtelevisie op afstand, alarmsystemen, ...), waardoor niemand meer aan huis hoeft te komen, maar net daardoor moeten we erop toezien dat we ouderen zo niet helemaal isoleren. In die zin is het inderdaad vaak een voordeel voor hen om opnieuw in een gemeenschap te leven. Spitaels: In Scandinavië bestaan woonvormen waarbij vier of acht bejaarden ieder een klein studiootje hebben, maar wel nog een gemeenschappelijke living en keuken delen waar ze hun kinderen en kleinkinderen kunnen ontvangen. Zulke concepten bestaan hier eigenlijk niet, ook al omdat onze regelgeving louter op bestaande archetypes geënt is: je krijgt alleen subsidies als je één slaapkamer hebt, als je venster zo hoog is, als je twee lavabo's hebt bij wijze van spreken, ... Syen: Er bestaan op dat vlak een aantal experimenten, waaronder een soort groepswonen zoals dat in Nederland trouwens vrij succesvol is. Je kan de Nederlandse woonmentaliteit en mentaliteit in haar geheel evenwel niet zomaar projecteren op ons land. In Nederland gaan dertig mensen samenwonen, waarbij ze een gemeenschappelijke ruimte hebben en samen hun traiteur kiezen. Wij koesteren echter niet zo'n communegevoel, we zijn individualistischer. Nederlanders kiezen overigens voor zulke formules wanneer ze nog vrij valide zijn. Een Belg die nog vrij valide is, blijft thuis. Vanderhaegen: Nog zo'n modeconcept is kangoeroewonen. Eigenlijk werd deze formule vroeger ook al toegepast toen oma en/of opa bij de kinderen kwamen inwonen, maar nu wordt dat een beetje architecturaal ingepast. We moeten ons echter niet concentreren op concepten, maar zoeken naar de meest geschikte woonvormen voor bejaarden op een degelijke locatie en aangepast aan ieders situatie. Zo zullen sommige senioren kiezen voor een appartement van 120 m2 of een huis van 150 m2 in Waals-Brabant of Ukkel, waar veel geld circuleert, terwijl anderen opteren voor een studio van 40 m2 omdat ze dat gewoon zijn in Molenbeek. De privésector moet op die behoeften inspelen, want hij kent zijn klanten. Schram: Er rijzen ook problemen met kangoeroewonen. Zo heeft mijn bejaarde buur, die samen met één van zijn kinderen een kangoeroewoning wilde betrekken en hiervoor een bouwvergunning had ingediend, uiteindelijk van zijn plannen afgezien omdat de specificaties al te steriel waren. Bij een verbouwing mochten er bv. geen twee keukens zijn. Als je als kind beslist om voor je ouders te zorgen en zo de Staat een pak geld te besparen maar toch ook een beetje vrijheid wil, word je door de reglementering dus van alle kanten gefnuikt. Daarom moeten wij onze beleidsmensen vragen om toch wat creatief te zijn, niet om toe te laten dat mensen overal de kantjes afrijden maar om te kunnen evolueren naar een soepeler systeem zodat zulke projecten vlotter gerealiseerd kunnen worden. Syen: In het ontwerp van decreet van ruimtelijke ordening van maart 2009 is de definitie van zorgwonen geformuleerd inclusief een aantal voorwaarden, waarbij een ondergeschikte wooneenheid wordt geïncorporeerd in een bovengeschikte wooneenheid en waarbij op die manier stedenbouwkundig een beetje meer mogelijkheden worden gecreëerd. Zo moet je geen bestemmingswijziging aanvragen voor een splitsing van één woning in een meergezinswoning. Als het om een zorgwoning gaat, kan je makkelijker door die stedenbouwkundige procedure fietsen. De ingreep wordt toegestaan via een meldingsplicht, die echter niet definitief verworven is. Als je na een tijd de woning niet meer bewoont, moet wel een stedenbouwkundige vergunning worden aangevraagd voor de splitsing ervan om misbruiken te voorkomen. Maar het is interessant om te weten dat aan de regelgeving wordt gewerkt. ■ Zijn architecten en/of aannemers al voldoende vertrouwd met aanpasbaar bouwen en wonen? Deboutte: Dat beweren ze toch. Spitaels: Met alle respect voor architecten, maar daar ben ik niet van overtuigd. Deboutte: Volgens onze ervaring varieert deze kennis van de ene architect en aannemer tot de andere, maar ze is globaal al wel verbeterd. Het evolueert dus, traag maar zeker. De Kerf: Hebben projectontwikkelaars of expertisecentra niet de taak om die bestaande kennis op een breed draagvlak te krijgen? Deboutte: Dat proberen wij te doen. We krijgen toch al af en toe projectontwikkelaars over de vloer op zoek naar een second opinion, die ons vragen of hun project enigszins aanpasbaar is en ontworpen volgens de regels van de kunst. De Kerf: Ik ben er zeker van dat heel weinig mensen buiten onze niche vertrouwd zijn met aanpasbaar bouwen. Schram: De architecten die wij opdracht gegeven hebben om de plannen te tekenen van ons appartementencomplex voor levenslang wonen in Dadizele hebben zeker aan hun opdracht voldaan. Maar gezien dit een pilootproject was, ga ik ervan uit dat er nu voor recentere projecten op een aantal vlakken toch een nog hogere woonkwaliteit aangeboden kan worden als daar een diepgaandere studie rond gevoerd wordt. Deboutte: Een ander aspect is dat aanpasbaar bouwen voor ouderen en mensen met een handicap altijd wordt beschouwd als een kleine en veeleisende nichemarkt. De perceptie van de architect is: voor die mensen kunnen we nooit goed doen, het is altijd wel iets. Daar moeten we vanaf. Bovendien werd twee jaar geleden in het WTCB-tijdschrift gewag gemaakt van een Zwitserse studie die aantoonde dat aanpasbaar bouwen zowat 1,2% duurder zou zijn. Is die meerkost haalbaar? Schram: Ik wil me niet uitspreken over de correctheid van dat percentage, maar wij hebben de appartementen van ons project in Dadizele in elk geval voor een hogere prijs kunnen verkopen dan wanneer wij een gewoon appartementsblok op de markt hadden gebracht. Daarvan hebben wij dus een stuk return gekregen. Dit project, waarmee we een vijftal jaar geleden gestart zijn, heeft dus geleid tot een win-win situatie. ■ Aanpasbaar bouwen kan in eerste instantie misschien wel iets duurder zijn, maar als je kan blijven wonen in je woning verdient zich dat mijns inziens snel terug. Spitaels: Aanvankelijk stelde men dat aanpasbaar bouwen even duur is als gewoon bouwen. De truc was dat je alleen naar de draaicirkel van de rolstoel moest kijken en op de badkamer een afzonderlijk toilet voorzien. Met de tijd werd die draaicirkel echter steeds vergroot, waartegen wij ons verzetten omdat dat economisch niet haalbaar was. Toen ik studeerde, bedroeg deze draaicirkel 1,15 m, daarna 1,3 m en vervolgens 1,5 m. Daarom adviseerde ik toen om eens met fabrikanten van kleine rolstoelen te praten. Als je de aanpasbare woningen van vandaag bij In-Ham of Enter laat analyseren, zal ongetwijfeld veel gezegd worden over de hoogte van stopcontacten, de ruimte voor deuren, enz. In het begin was daarvan nauwelijks sprake. Uiteindelijk ga je best zelf in een rolstoel zitten om alles uit te proberen. Deboutte: Wij weten ook niet direct waar die 1,5 m draaicirkel vandaan komt, maar we zijn eerder voorzichtig met het klakkeloos toepassen van toegankelijkheidsregels in de private woonomgeving. Dankzij de nieuwe technologieën zullen rolstoelen zich zijwaarts, voorwaarts en zonder draaicirkel kunnen voortbewegen of ter plaatse blijven. We moeten opletten dat we architecten daar niet mee overdonderen en projectontwikkelaars afschrikken, die nu al beducht zijn voor speciale ingrepen voor gehandicapten en ouderen. We moeten die aversie ombuigen tot een positief verhaal. Syen: De toegankelijkheidsnormering is pas sinds maart 2009 verstrengd voor woon- en zorgcentra, als ik het goed voorheb. Dat brengt ons bij een thema dat iedereen bezighoudt: hoe kunnen wij nog betaalbaar bouwen, rekening houdend met het feit dat vandaag de akoestische norm, morgen de epb-regelgeving, overmorgen de haalbaarheidsstudie en de dag daarna nieuwe toegankelijkheidsvoorschriften worden opgelegd? Voeg daar ook nog eens de wet op de overheidsopdrachten aan toe, die voor sommigen kostenverhogend werkt door de eigenheid van dat kader. Vroeger kon je nog voor een aanvaardbare eenheidsprijs een correct project opleveren. Het kostenplaatje is echter dermate gestegen dat je op sommige plaatsen al 2.000 EUR of meer per m2 inclusief btw en erelonen nodig hebt om een gebouw te realiseren voor het huisvesten van senioren die eigenlijk alleen maar een gewone functionele omgeving vragen om zo goed mogelijk in oud te kunnen worden en geen paleis met koperen klinken. Spitaels: We zijn daar al heel lang mee begaan, vooral vanuit de sociale sector. Zeer lang bepaalden niet alleen de inkomens van de bewoners mee de huur, maar ook de kostprijs van de woning. Nu is dat in solidariteit over Vlaanderen uitgespreid met de nieuwe regelgeving, maar je moet toch twee keer nadenken eer je een woning concipieert. Daarbij komt de bepaling inzake kleinschaligheid om getto's te vermijden. Dat soort toestanden kost geld en de bekommernis is inderdaad erg groot. Syen: Ik ken in ieder geval de impact van de epb-regelgeving, die in rusthuizen niet opgelegd is, maar er wel toegepast wordt. De ventilatienormering bv. leidt tot veel verhoogde plafonds en plateaus, wat tot een meerkost leidt. De bouwlaag bedraagt niet meer 2,9 m, maar 3,4 m. Deze ventilatienormering heeft dan ook een gigantische impact op de bouwkost. Hierbij kan je je afvragen wat de toegevoegde waarde is. Iedereen denkt vandaag ecologisch en duurzaam, maar je moet toch beseffen dat je zo lucht gaat verspreiden door je gebouw met gevaar voor de verspreiding van bacteriën, heel moeilijk te reinigen kanalen, enz. Ik lees heel veel studies die aantonen hoeveel energie je kunt terugwinnen, maar ik zie heel weinig studies die aantonen hoe nefast de gezondheidsimpact van een slecht onderhouden ventilatiesysteem kan zijn. De meerkost is echter aanzienlijk. Zo hebben we recent een project van een woon- en zorgcentrum bekeken waar de meerkost van het hele ventilatieverhaal, systeem D in dit geval, meer dan 1 miljoen EUR bedroeg als je alles ging incalculeren. Ik ben daar persoonlijk niet tegen, maar ik wil wel dat duidelijkheid wordt gecreëerd over de bedrijfszekerheid inzake hygiëne en bacteriologische garanties van zo'n systeem. Bovendien moet het systeem zelf ook onderhouden worden en dat kost ook geld. De energie moet tevens gegenereerd worden om het systeem te doen functioneren. Ik mis daarvan een totaalplaatje en vind dat een eenzijdig beeld wordt opgehangen vanuit de industrie. Iedereen heeft al boeiende discussies meegemaakt over de fantastische resultaten van wkk-installaties en koude-warmteopslag, tot je die projecten na vijf jaar bezoekt en de terugverdientijd niet altijd zo kort blijkt als vooraf werd geprojecteerd. De Kerf: Hierbij spreek je over de technische normering op de architectuur van de rusthuissector. De toegevoegde waarde voor bewoners wordt in vraag gesteld. De meeste rusthuisbewoners die kunnen genieten van airco hebben vaak drie truien en een sjaal aan. Syen: Als je een slecht beheerde systeem D-ventilatie niet goed aanstuurt en je zet hier of daar nog een raampje open, krijg je onderdruk en op een bepaald moment overdruk. Wij willen allemaal geurtjes vermijden, om nog maar te zwijgen van de urinegeur in een woon- en zorgomgeving. Als je onder- en overdruksituaties creëert tussen een kamer en de gang, schep je echter problemen. Je hebt slechts vijf minuten nodig om een hele afdeling onaangenaam te doen geuren als je dat ventilatiesysteem niet goed beheert. Deboutte: Dan heb je het over de bruikbaarheid van de technologie. Het verwarmingssysteem in ons gebouw is het minst complexe van allemaal, maar we hebben er na drie jaar nog steeds problemen mee, hoewel het al vaak is geregeld en afgesteld. Syen: Ik kom heel veel in rusthuizen en stel vast dat geur vooral te maken heeft met organisatie en minder met ventilatie. Alles is terug te leiden tot een goed beheer van je gebouw. Schram: Ik ben pleitbezorger van o.a. systeem D-ventilatie voor iedereen, maar het risico bestaat dat we straks het kind met het badwater weggooien. Er zijn goede systemen, maar daaraan moet een goed onderhoudsmanagement gekoppeld worden. Men is daar op wereldvlak volop mee bezig en ik ben ervan overtuigd dat wij daar binnen afzienbare tijd naartoe moeten omwille van de hoge energiekosten. ■ Kan duurzaam en energievriendelijk bouwen verzoend worden met aanpasbaar bouwen of vloeken ze met mekaar? Schram: Technisch stelt zich daar geen enkel probleem. Vanderhaegen: Senior housing is vandaag nog een markt van believers, net zoals dat aanvankelijk het geval was met duurzaam en ecologisch verantwoord bouwen en passiefhuizen. Ook daar trokken eerst enkele aannemers, architecten en projectontwikkelaars met een hart voor energiezuinig bouwen aan de kar. De markt van senior housing zal echter moeten evolueren naar een gewone markt. In de toekomst zullen we m.i. uitsluitend globaal duurzaam moeten bouwen en rekening houden met alle milieuaspecten, de gezondheid van de mensen en de toepasbaarheid en toegankelijkheid van de woning, de omgeving en de infrastructuur. Een toegankelijke infrastructuur is ook het oogmerk van die woonzorgzones. We moeten evolueren van een concept van believers in duurzaamheid naar een globaal concept van duurzaam bouwen. We zijn er overigens bijna: in de USA en Engeland bestaat BREEAM (BRE Environmental Assessment Method) en nu werkt men aan de Belgische versie Valideo. Men houdt nog wel geen rekening met diensten; daar kennen ingenieurs niks van. Binnen tien of twintig jaar hoop ik in elk geval dat we alleen maar globaal duurzaam bouwen en dat de kostprijs nog zal dalen. Syen: Ik pleit ervoor dat mensen die willen verhuizen naar een omgeving die voor hun leeftijd is ontwikkeld via Valideo niet alleen bouwgerelateerde garanties krijgen maar ook servicegerelateerde garanties, in de zin van: in deze organisatie kunnen wij deze diensten garanderen op die manier op lange termijn. Dat is niet zo evident, zo blijkt uit mijn gesprekken daarover in de sector, maar het zal m.i. voorkomen dat mensen om de tuin geleid worden en hun spaargeld investeren in verkeerde projecten. ■ Welke landen spelen een voortrekkersrol in aanpasbaar bouwen en welke accenten worden er gelegd? Vanderhaegen: Ik denk dat Vlaanderen hier tamelijk goed scoort. Inzake bv. thuisverzorging behoren we tot de beste landen in de wereld. Een absolute trendsetter zijn de Scandinavische landen, waar de overheid verantwoordelijk en aansprakelijk is voor haar ouderen en dus ook meer geneigd is om voor hen de beste oplossingen te zoeken. Bij ons is in eerste instantie de familie verantwoordelijk en aansprakelijk. Ook Nederland scoort goed, maar daar zijn de oplossingen erg variabel naargelang de plaats en de personen. ■ In de USA neemt de privésector het voortouw? Vanderhaegen: Daar bestaan de beste oplossingen, maar ook de duurste. ■ Welke inbreng zouden de overheid en de privésector bij ons moeten hebben in dit domein? Vanderhaegen: Als vertegenwoordiger van de privésector, de aannemers, pleit ik voor meer creativiteit: laat ons die nieuwe concepten ontwikkelen en de regelgeving tot een minimum beperken. We hebben echt nood aan goede projecten en die kan niet iedereen ontwikkelen. Syen: We pleiten allemaal voor goede projecten en moeten trachten minder goede projecten niet te veel wind in de zeilen te geven. Als de zorgmarkt een speelbal wordt van vastgoedspeculatie zonder visie, dragen we daar achteraf allemaal maatschappelijk de gevolgen van. Vanderhaegen: Hoe ga je die goede projecten bepalen? De Kerf: Dat zou meer de rol van de overheid moeten zijn. Vanderhaegen: Maar dan kom je opnieuw op regelgevingterrein. Syen: De overheid kan een aantal stimuli inbouwen. Eén of andere vorm van erkenning gekoppeld aan een lager btw-tarief zoals vandaag is sowieso een belangrijke factor. Een mogelijke vrijstelling van de onroerende voorheffing voor rusthuizen en rvt's is ook een stimulus. Deze prikkels zorgen ervoor dat goede (vooral privéprojecten beloond worden en makkelijker op de markt aangeboden kunnen worden. De Kerf: De overheid is, deels terecht, heel lang bang geweest voor de commercialisering van de zorg. Recent nog schrok men ervoor terug om privéondernemers dezelfde waarborgen te bieden als de openbare sector. Hier is nog veel werk. Deboutte: De VMSW heeft in 2007 en 2008 met het NAV een vijftal leeruitstappen georganiseerd. We zijn gaan kijken naar voorbeelden van goede praktijk in hun portefeuille en hebben daar schitterende dingen gezien. Jullie kunnen ook een erg grote rol spelen in een aanbod voor minder begoede ouderen. In jullie C 2008 staat op een aantal pagina's beschreven hoe aanpasbaar kan gebouwd worden. Spitaels: In onze beheersovereenkomst is opgenomen dat een bepaald percentage van gelijkvloerse woningen volgens deze principes gebouwd moet worden. De formulering in de beheersovereenkomst laat echter te wensen over en de telling wordt bemoeilijkt. De beheersovereenkomst richt zich ook naar architectuurscholen. Hierbij moeten elk jaar sensibilisatiecampagnes gevoerd worden. Daar is zeker aandacht voor. Deboutte: Bij de opleiding wordt nog te veel in de woestijn geroepen. Docenten kunnen die minimale principes m.i. vaak moeilijk overbrengen op die architecten/kunstenaars, die zich niet steeds kunnen vinden in de principes van aanpasbaar bouwen. ■ Met welke praktische principes moet een architect rekening houden om aanpasbaar bouwen te integreren in zijn plannen? Spitaels: Hiervoor bestaan gidsen waarin die ontwerpprincipes worden toegelicht. Zo is Peters boek over meegroeiwoningen nog niet zo lang geleden gepubliceerd. De meesten kennen ons C-boek met richtlijnen voor bouwheren en ontwerpers. Hierin worden aanbevelingen gegeven over draaicirkels, drempelloosheid, omgevingsfactoren, de hoogte van bepaalde voorzieningen, stopcontacten, de beste plaatsing van deuren, ... We trachten vooral ingrepen te stimuleren die niks extra kosten. ■ In hoeverre kan aanpasbaar bouwen worden ingepast bij renovaties? Spitaels: Het hangt ervan af waarvan je vertrekt. Als je een huis in de stad wil renoveren waar je al meteen vier treden omhoog moet vooraleer je op het gelijkvloers bent, heb je een probleem, want op een voetpad in de stad kan je geen helling van 10 m bouwen. Met een steektrap ben je zogezegd aanpasbaar aan het bouwen. Een liftje kost echter veel geld. Waar ligt de grens? We spreken dan ook meestal over gelijkvloerse woningen. ■ Bij nieuwbouwprojecten hoeft aanpasbaar bouwen dus niet meteen duurder te zijn, maar bij renovaties is het dat vaak wel. Spitaels: In onze sector wordt nog te veel gerenoveerd in plaats van afgebroken en opnieuw gebouwd, denk ik. Zo blijf je met aangepaste oude woningen zitten, met een aantal nadelen van dien. We hebben daar al minder goede ervaringen mee gehad. Met een gangetje van 80 cm breed bv. kan je niet veel beginnen... Schram: Als je niet durft beslissen om een gebouw compleet te strippen en daarna zo goed als opnieuw te beginnen, sta je vaak voor verrassingen. Voor mij is een renovatieproject een grotere uitdaging dan nieuwbouw, om het op een financieel en technisch haalbare manier te realiseren. Spitaels: Het gebouw moet ook de moeite waard zijn om te renoveren en dat is niet altijd het geval. Schram: Veelal blijkt de kostprijs van een renovatie uiteindelijk even hoog of zelfs hoger dan nieuwbouw. Bovendien blijf je nog steeds met een gebouw zitten dat niet honderd procent naar wens gebouwd werd. ■ Welke instanties, onderzoekscentra e.d. zijn behalve het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) belangrijk voor het introduceren van nieuwe concepten inzake aanpasbaar bouwen? Vanderhaegen: Een belangrijke speler is het Belgian Centre for Domotics and Immotics (BCDI), een initiatief van o.m. het WTCB. Het WTCB beschikt over heel onderlegde mensen die al heel lang bezig zijn met aanpasbaar bouwen. Het heeft ook samen met IMEC en In-HAM de aanzet gegeven tot de woonlabs van In-HAM. Deboutte: We weten ook niet alles. In-HAM probeert diverse initiatieven te nemen, vaak samen met bv. het Vlaams Expertisecentrum Toegankelijkheid Enter, de VMSW of de Confederatie Bouw. Onze filosofie is dat we in netwerkverband nieuwe initiatieven nemen. Die woonlabo's waren initieel geen onverdeeld succes. Wij dachten indertijd dat we, door te kijken naar de ontwikkelingen in Nederland en elders, die concepten ook hier konden toepassen. Het lukt evenwel niet zomaar om mensen gedurende een paar weken hier te laten wonen en te laten kennismaken met allerlei ingrepen inzake domotica, telesystemen, enz. Intussen hadden een aantal bedrijven echter al een aantal toepassingen geplaatst. We hebben ons dan anders georganiseerd door voor- en namiddagsessies te organiseren voor architecten, ouderen en eindgebruikers die kunnen kennismaken met bepaalde technologieën. Zo proberen wij met die woonlabo's informatie te geven over aanpasbaar bouwen. Dat is heel belangrijk, want ik merk dat rusthuisdirecteurs -en directrices niet altijd voldoende weten wat er op de markt is inzake bv. sanitaire systemen. De eindgebruiker van zijn kant kan zien wat aangepast kan worden. In die zin vormen deze woonlabs een belangrijke tool, maar niet het instrument waarmee we alles zullen oplossen. Vanderhaegen: Ik was onlangs nog bij inHaus, het grotere broertje van In-HAM in Duitsland, waar men werkt aan schitterende concepten. Ik denk niet dat de technologie het probleem is, want die technologie bestaat. Daarom vroeg ik hen: "Now we have all the engineers, where are the mba's?" Nu moeten we businessplannen opmaken om deze concepten tegen een attractieve prijs op de markt te brengen en te industrialiseren. Zo zag ik bij inHaus een fantastische innovatie, maar ik kon ze niet kopen want het betrof een prototype dat misschien pas binnen twee jaar in Düsseldorf zou geïnstalleerd worden en misschien dan kon besteld worden, want dan zou ze nog slechts 5.000 EUR kosten. Deboutte: Ik ga deels akkoord met Jean-Christophe. We hebben geen probleem met intelligente ingenieurs die een aantal technologieën ontwerpen, maar wel met de usability of de bruikbaarheid van de producten. Wij zetten ook eindgebruikers met ingenieurs samen in onze woonlabo's en kijken waaraan innovaties moeten beantwoorden op het vlak van gebruiksvriendelijkheid. Dat klinkt eenvoudig, maar is het niet. Enkele maanden geleden hebben we samen met een multinational nog een pilot voor de pers voorgesteld van een soort intelligente woonomgeving voor ouderen, met als hoofdfocus: is het bruikbaar voor personen met beginnende dementie? Er is heel veel op de markt, maar niet alles is ergonomisch voldoende doordacht. Daar hebben de woonlabo's een heel belangrijke functie. ■ Hoe moeten we ons die woonlabo's concreet voorstellen? Deboutte: Het gaat om drie units van 70 m2 en eentje van 125 m2 met modulaire wanden, een verhoogde vloer en een verlaagd plafond. We kunnen er de woonomgevingen aanpassen. Dat is niet nieuw, maar het biedt ons het gemak om eens een andere keuken of andere domotica te installeren, de toiletpot op een andere plaats te zetten, e.d. Dat is belangrijk voor de oriëntatie, om te beantwoorden aan de vraag van architecten, enz. We gaan vanuit dat economische marketingmodel deze living labs met elkaar linken in Europa en kijken hoe we ze als tool kunnen gebruiken om de zorgsector ervan te overtuigen dat zorgtechnologie of assistieve technologie kansen biedt voor haar doelgroep. De Kerf: In-Ham gaat ervan uit dat het via de architecten op één of andere manier de particulieren kan bereiken. Zou je niet beter andersom werken en de vraag vanuit de particuliere markt stimuleren om architecten te overtuigen? Deboutte: Het loopt niet altijd van een leien dakje. De particulier heeft zich vaak geïnformeerd via internet en meldt zijn architect welk concept hij wil. Die zucht vaak eens diep en dan ontstaat de discussie. Ik heb de indruk dat het handiger is om architecten te sensibiliseren over de meerwaarde van bepaalde principes, zodat zij de eindgebruiker op het einde van de rit een beter aangepaste of aanpasbare woning kunnen aanbieden. Schram: Ik kan me daar voor een stuk bij aansluiten. Wij zijn als aannemer en zeker als projectontwikkelaar verplicht om goed met een architect samen te werken. We stellen echter vast dat de opleiding van architecten op vele vlakken niet is aangepast aan de hedendaagse noden. ■ Misschien ook omdat hun werkterrein zo snel evolueert. Schram: Inderdaad. Maar ik denk dat veel studenten zich zonder voldoende overtuiging inschrijven in architectuurscholen. Bovendien zien zij voor hen vaak een totaal andere functie-invulling: ze voelen zich in de eerste plaats kunstenaar. In principe zou een ingenieur-architect de beste functie bekleden om deze taak naar behoren uit te voeren, maar om één of andere reden lukt dat niet. Daar is dus een fundamenteel probleem, dat volgens mij vooral aan de opleiding ligt. We hebben echter believers nodig om een concept of een realisatie uit te werken, anders bloedt de dynamiek dood. Deboutte: Het heeft ook te maken met terminologie. Het woord toegankelijkheid heeft in dat opzicht nog te veel een negatieve bijklank. Schram: Het zit gevangen in een kader waarin ze hun kunstenaarschap niet meer kwijtraken. Dat hoeft echter niet zo te zijn. Deboutte: Ook aanpasbaar bouwen is zo'n term die daarmee geassocieerd wordt. Design is het sleutelwoord voor architecten en waarom zou je geen woning voor ouderen of mensen met een handicap vanuit een designlook kunnen concipiëren? Ik heb al oogverblindende badkamers in glasdallen voor rolstoelgebruikers gezien met een prachtige inrijdouche en een handige douchekop die je omlaag kan trekken. Als we in die richting kunnen evolueren, moeten we al die terminologie niet meer gebruiken en komen we tot een woonconcept voor ons allemaal: universal design, design for all. De Kerf: Wij behoren allemaal tot een gouden generatie als we het geluk hebben om oud te worden. We zijn immers een generatie met financiële middelen en zullen hopelijk nog kunnen terugvallen op een voldoende stevige sociale onderbouw (pensioensparen, groepsverzekeringen, enz.). De overheid zou ons via fiscale stimuli kunnen aanmoedigen om die middelen voor een stuk te optimaliseren via investeringen in aanpasbaar en duurzaam wonen. In hoeverre dat vandaag een prioriteit is, laat ik echter in het midden. Syen: Ik ben blij dat op het niveau van de overheid gewerkt wordt aan labels. Als je een energieprestatiecertificaat moet afleveren voor een gebouw, wordt dat immers een verkoopargument voor dat gebouw. Zo wil Vooruitzicht bij de nieuwbouw van grondgebonden woningen op de Antwerpse Linkeroever streven naar een E50-peil, wat vijf jaar geleden nog ondenkbaar was. Zij zien dat als een investering in duurzaam bouwen en hopen die inspanning ook te kunnen vertalen in een juiste verkoopprijs. Ik denk dan ook dat er geen weg terug is. Alleen zou het goed zijn als op het niveau van aanpasbaarheid en levensloopbestendigheid van woningen ook een soort certificaat of label uitgereikt zou worden. Vanderhaegen: Daaraan wordt gewerkt. De epb-regelgeving was eigenlijk een slecht voorbeeld, want het betreft een Europese richtlijn die gewestelijk is toegepast in België. Het resultaat is dat we drie regelgevingen hebben en drie manieren om dat te berekenen. Onze bouwbedrijven weten het zo ook niet meer, want ze werken vaak in alle drie gewesten. Wij strijden voor een globale labeling in heel België via het concept Valideo, maar het is niet gemakkelijk. Zelfs in Brussel wil men een eigen label ontwikkelen en vindt men alle mogelijke excuses uit om zich te onderscheiden van Vlaanderen en Wallonië. Voor onze bouwbedrijven is het echter noodzakelijk dat er één label komt, want uiteindelijk gaat het hier om een wereldprobleem en is het al te gek om dat te regionaliseren. ■ Een dergelijk label bestaat al in andere Europese landen? Vanderhaegen: Er zijn verschillende labels op internationaal vlak, waarbij BREEAM bij ons het meest bekend is en dat ook wordt toegepast in Nederland. Het is integraal, waarbij alles in acht wordt genomen: duurzaamheid, toegankelijkheid, gezondheid, enz. ■ Het WTCB, het BCDI en IMEC, bekend als het grootste Europese onafhankelijke onderzoekscentrum in nanotechnologie en nano-elektronica, zorgen voor een groot deel voor de inbreng vanuit de bouwsector. Daarnaast kan ook de medische sector een rol spelen in de ontwikkeling en promotie van innovaties en nieuwe concepten. De Kerf: Ik zie initiatieven voor aanpasbaar bouwen niet direct vanuit de medische sector komen. Syen: De medische sector is wel heel aandachtig voor die ontwikkeling en probeert daaraan bij te dragen. Op het niveau van tv-monitoring, telecare, enz. zijn belangrijke werkgroepen actief. Ik denk ook dat de mutualiteiten vragende partij zijn om zorg zo betaalbaar mogelijk te houden via tele-oplossingen en dat er van daaruit en vanuit de universiteiten een geweldige drive is, gesteund door een aantal multinationals die daar geld voor over hebben. Maar dat is niet echt medisch, maar situeert zich op het vlak van de teletechniek. ■ Ik lees toch over Vivago-uurwerken, sensors, ... Deboutte: Er zijn raakvlakken. De ondersteunende technologie kan ervoor zorgen dat mensen langer begeleid kunnen wonen. Er moet een kruisbestuiving bestaan tussen de bouwsector en de medische sector. Syen: Telecom en domotica spelen daarin ook een erg belangrijke rol. Vanderhaegen: Het probleem is dat de Orde van Geneesheren telemedicine tot nader order weigerde. Als er een diagnose wordt gesteld, moet er immers fysisch contact zijn tussen geneesheer en patiënt. Ik weet niet of de Orde haar standpunt intussen gewijzigd heeft. Deboutte: Men moet die wetgeving in elk geval aanpassen, want ze is vanuit dat oogpunt niet aangepast. De Kerf: Daar is een belangrijke rol weggelegd voor alle organisaties die drempelverlagend zouden moeten zijn of mensen zouden moeten stimuleren om thuis te blijven. De thuiszorgdiensten kunnen daarbij fungeren als tussenpersoon, al dan niet gefinancierd door de overheid of via private initiatieven, want die zullen er zeker ook komen. Syen: Dan begeef je je wel op heel glad ijs met de ontschotting tussen de verschillende actoren op de markt (thuiszorg, intramurale zorg, ziekenhuizen). We zien wel dat een aantal thuiszorgorganisaties hun werkveld verbreden naar serviceflats e.a. en dat een aantal ziekenhuizen woonoplossingen beginnen te ontwikkelen met het oog op posthospitalisatie (mensen op een andere locatie maar binnen hun groep blijven huisvesten). Die echte ontschotting is m.i. nog niet zo succesvol, maar de actoren beginnen wel hun scoop te verbreden om het landschap meer af te dekken. De Kerf: Je hebt gesproken over thuiszorg. Er zijn echter een aantal comfortdiensten die dichterbij wonen, eveneens zorggerelateerd zijn en ook mensen toelaten om langer thuis te blijven. Wij zijn die marktniche ernstig aan het bestuderen en zien daar voor ons in de toekomst zeker een rol in weggelegd. Als wij het niet doen, zal iemand anders het trouwens doen. Er zal zeker een privaat aanbod komen (dat is er trouwens al deels via de dienstencheques) voor mensen die hiervoor de middelen hebben en die misschien niet in aanmerking komen voor overheidssubsidies. In de USA is dat big business. Ik ben er enkele van die bedrijven gaan bezoeken en was echt onder de indruk. Deze comfortdiensten hebben evenwel weinig of niks met medische hulp en zorg te maken. Daarnaast is nog een complementair aanbod voor bejaarden in aantocht dat zich toespitst op boodschappen doen, de krant voorlezen, met de hond gaan wandelen, samen naar zee gaan, ... Dat laat hen toe om veel langer in hun eigen woonomgeving te blijven, als ze het kunnen betalen natuurlijk. De gemiddelde residentieduur in een rvt-omgeving daarentegen bedraagt ongeveer 18 maanden, heb ik onlangs gelezen. Syen: Daarvan bestaan bij mijn weten geen officiële cijfers. Vroeger circuleerde een termijn van 42 maanden op het Vipa-niveau. Die is gezakt naar 28 of 26 maanden en zal vandaag waarschijnlijk tussen 18 en 23 maanden of zelfs onder de 20 maanden liggen. Bejaarden die vandaag worden opgenomen in een rvt of rustoord hebben geen perspectief meer van vijf of tien jaar, maar van een intensieve zorg gedurende een korte periode. De Kerf: Deze groep vormt slechts een heel klein topje van de ijsberg. Bij alles wat zich daaronder bevindt, is een enorme rol weggelegd voor bouwfirma's, de overheid en privéfirma's. Ze moeten dat aanbod zodanig structureren en op elkaar afstemmen dat mensen op een betaalbare en kwalitatieve manier zo lang mogelijk thuis kunnen blijven. Deboutte: Je moet wel rekening houden met het daarnet vermelde community-aspect en er zorg voor dragen dat dat gemeenschapsgebeuren gekoesterd wordt. Mensen isoleren in hun woning met allerlei technologie is ook maar niks. Syen: Zo hebben we recent in het kader van een project een intervisie gehad met gebruikers en senioren. Eén van de discussiepunten was niet het feit dat de draaicirkel van het toilet groot genoeg moest zijn, maar wel dat op het domein zes i.p.v. vier petanqueterreinen moesten komen evenals een bar met toog waar de residenten konden kaarten en de mogelijkheid om hun wagen veilig kwijt te geraken. Kortom, dingen die ons ook bezighouden. Vanderhaegen: Andere bejaarden willen er dan weer zeker van zijn dat Eurosport bij hen via de kabel te bekijken valt. Syen: De aanwezigheid van internet is in deze wereld evident en wij vragen steeds om het te voorzien in gebouwen. Maar in de praktijk is het gebruik ervan nog erg beperkt, tenzij dan op therapeutische basis waarbij bv. de ergotherapeut met de oudere op Facebook gaat om met diens kinderen en kleinkinderen te communiceren. De Kerf: Dat kan vrij snel keren. Facebook is op dat vlak erg handig. Als bejaarden daar ook nog wat cameratoestanden en skypeverhalen aan koppelen die allemaal niet te veel kosten, beschikken ze over de middelen om in contact te blijven met hun kinderen, zelfs als die aan de andere kant van de wereld zitten. Dat creëert op termijn vele mogelijkheden. De Gentse firma Netlog heeft als snelst groeiende IT-bedrijf in 2008 zelfs een prijs gekregen omdat het een site heeft gecreëerd voor jongeren zodat ze opnieuw wat privacy hebben. Vele ouders begonnen immers op Facebook mee te lezen wat hun kinderen onder elkaar afspraken. ■ Alles evolueert zo snel. Tien jaar geleden had niemand nog van Facebook of Netlog gehoord en we kunnen niet voorzien wat binnen tien jaar gaat gebeuren. Maar de senioren van morgen zullen inderdaad veel meer vertrouwd zijn met internet. De Kerf: Er is in elk geval nog veel werk aan de communicatie. Er bestaan al talrijke schitterende initiatieven, maar het publiek zou daarvan veel meer op de hoogte moeten zijn, via een simpele brochure bij de gemeenten bv. Elke provincie heeft ook haar cel Overzicht alle berichten |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||

